Kunst

Angst voor de realiteit – Hyperrealisme sculptuur in de kunsthal in Rotterdam

Bij binnenkomst was het meteen raak; tegen de wand stond een sculptuur van een tienermeisje dat haar trui over haar hoofd trok. Je kon het gezicht niet zien, maar het sculptuur was wel aangekleed; in een spijkerbroek, blouse en sneakers. Ook had het lang bruin haar. Net echt. Niet alleen ik, maar iedereen die binnen kwam werd verrast door het feit dat daar ‘iemand stond’. Maar na nog een keer te kijken en te beseffen dat het meisje wel érg goed stil kon staan zag je dat het een van de kunstwerken was. De woorden die ik om mij heen hoorde waren ‘creepy’, ‘net echt’ en ‘bizar’. Deze woorden hoorde ik niet alleen bij dat sculptuur, maar ook door de hele zaal.

Dat aangeklede meisje aan het begin, maar ook het naakte meisje liggend op een wit object of een man die leek te zweven waren zó realistisch (na)gemaakt, dat je soms aan jezelf begon te twijfelen. Is dit niet één grote grap en staan al die sculpturen zo gewoon op of doen ze hun ogen open? Té dichtbij komen durfde je niet, want stel dat het sculptuur ineens ‘boe’ zou zeggen. Dat had ik nog best geloofd, als dat zou gebeuren. Die gevoelens van angst en ongemak, maar ook van verwondering maakte dit een van de beste tentoonstellingen waar ik ooit was geweest.

Achter deze tentoonstelling zat een interessante filosofie; hoe realistischer iets ‘neps’ er uit ziet, hoe ongemakkelijker je je er bij voelt. Hoe moeilijker het wordt om lang naar te kijken. En dat was dan alleen het geval bij mensen. De dieren die in een museum staan, zijn niet echt. Nagemaakt. Ondanks dat ze er heel realistisch uit zien maakt het je niet ongemakkelijk of zelf angstig om naar te kijken. Sterker nog, het geeft je niet per se een bepaald gevoel. Je weet tenslotte hoe een leeuw er uit ziet. Maar je weet ook hoe mensen er uit zien, waarom is het dan zo raar om naar te kijken?

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *